CYRIEL VERSCHAEVE

Verschaeve werd op 30 april 1874 geboren uit een vrome en verstandige familie in het mooi West-Vlaamse dorpje Ardooie. Reeds als kind muntte hij uit door zijn taalaanleg en zijn voorliefde voor geschiedenis.

Hij verslond de werken van Hendrik Conscience, leerde viool spelen en zat soms urenlang in het atelier van een plaatselijke beeldhouwer. Na middelbare studies in het Frans, te Roeselare, ging hij in 1893 naar het Groot Seminarie te Brugge. Reeds het daaropvolgend jaar schreef hij in het flamingantische studentenblad 'De Vlagge' een reeks artikelen over kunst. Dat hield al direct een daad van vrijbuiterij tegenover zijn geestelijke overheid in. In 1897 werd hij tot priester gewijd, doch reeds in het jaar daarvoor was hij aangesteld als leraar in het College te Tielt, waar hij hoofdzakelijk poëzie, Duits, geschiedenis en kunstgeschiedenis doceerde. Hij zou in Tielt blijven tot in 1911. Ondertussen zou hij zich verder bekwamen in de Duitse taal aan de universiteit van Jena, waar hij in een Goethiaanse sfeer en een sterke literaire traditie belandde. In 1901 volgde hij nog vakantieleergangen te Marburg, waar hij sterke pan-germaanse stromingen onderging. Deze stromingen zullen hem zijn ganse leven lang blijven beïnvloeden.

In 1907 ging de wereld definitief open voor Verschaeve. Hij zou zich én als priester én als Vlaming geleidelijk aan ophijsen tot dat peil, waartoe in die tijd slechts weinig Vlamingen, zoals Streuvels, Vermeylen of Perseyn, in staat waren.

Voorts wierp hij zich hartstochtelijk in de Vlaamse strijd door middel van vele artikelen en toespraken. Hij sprak een belangrijke redevoering uit in 1909 bij de inhuldiging van het Rodenbach-standbeeld te Roeselare en bewerkte in 1913 de doorbraak van de Vlaamse vrouwenbeweging.

In 1914 ging hij naar het Louvre om er Rembrandt te bestuderen. Hij schreef zijn 'Zeesymphonieën' en vier drama's': Jacob van Artevelde, Filip van Artevelde, Judas en Ferdinand Verbiest (voor de Verbiest-feesten te Pittem in 1913).

In 1911 werd hij als kapelaan aangesteld in Alveringem. Deze benoeming tot onderpastoor te Alveringem in de Westhoek, de strafkolonie voor clerici, aanzag Vlaanderen als een verbanning en een kaakslag. Hijzelf leefde rustig in zijn onderpastorie als een pastoor van te lande, midden zijn boeken, zijn kunst en zijn dromen.

Eenvoudig en bescheiden, wars van alle politiek vertoon, leefde hij min of meer teruggetrokken van de buitenwereld.

De oorlog, de slag aan de IJzer, de stabilisatie van het front bracht daar verandering in. Alveringem lag een boogscheut achter het front, iedere dag lagen er in het dorp en zijn omgeving duizenden soldaten. De onderpastorie, die vroeger eerder eenzaam en verlaten was, werd nu het toevluchtsoord van het ganse intellectuele Vlaanderen. Eerst kwamen zijn oud-studenten die van deze gelegenheid gebruik maakten om hun oud-leraar op te zoeken en hem nog eens te horen profeteren over wat Vlaanderen zou moeten zijn en wat van hen verwacht werd. De anderen volgden, iedereen was welkom. Het was een echte begankenis.

Meester Adiel Debeuckelaere sprak tijdens zijn toespraak ter gelegenheid van een Verschaeve herdenking op 27-28 september 1969 volgende woorden uit: 'Ik zie hem nog op zijn werkkamer, tussen zijn boeken met zijn kat op de schoot, ik hoor hem nog luidop dromen zonder dat iemand anders iets zeggen kon'.

Deze wereldoorlog en zijn dagelijkse zorg hebben een pauze veroorzaakt in zijn zuiver - literaire productie, maar niet in zijn Vlaamse actie.

Tijdens deze periode sprak hij van Vlaanderens erfvijand, die nu België's bondgenoot was geworden, de verfransing van het leger, de vrees voor verdere verfransing voor Vlaanderen.

Hij was een van degene om de Vlaamse intellectuelen op hun taak te wijzen en hun de mogelijkheid onder de ogen te brengen om bij de grote massa de Vlaamse gedachte ingang te doen vinden. Wanneer het op praktische organisatie aankwam, kon hij niet meer mee.

Hij vond de diplomatie pietluttig. Bij de beslissingen van de Frontbeweging was hij niet doorslaggevend. Hij ging zijn eigen weg, schreef op eigen verantwoordelijkheid aan de paus, de kardinaal en de oorlogvoerende mogendheden van het geallieerde kamp. Met deze 'open brieven', beoogde hij de lotsverbetering van de Vlaamse Frontstrijders.

Hij werd op handen gedragen en was iemand met wie de regering en de legeroverheid rekening hielden. Zij bewaakten hem en ondernamen stappen om zijn overplaatsing te bekomen. Toen er sprake was van een ontvoering, werd zijn huis door mannen van het jagersregiment bewaakt.

Aan het eind van de oorlog brak Verschaeve met de jeugdleider Frans van Cauwelaert, en met de 'minimalisten' in het algemeen.

De veroordeling van Dosfel, Borms en vele andere activisten betekende een zware slag voor Verschaeve en de naoorlogse jaren waren voor hem een bittere ontgoocheling .

Zijn houding tegenover België - Kerk en Staat - werd scherp en bitter.

Tussen de twee wereldoorlogen publiceerde Verschaeve ondermeer zijn verzenbundel 'Nocturnen' en de essays 'Het Mysterie' en 'Vlaanderen Spectrum'. De twintiger jaren werden vooral gevuld met tal van studies over de wereldliteratuur, de mystici, de grote beeldhouwers en schilders (vooral Rubens). De definitieve vervlaamsing van de Gentse Alma Mater in 1930 wekte bij hem - merkwaardig genoeg - geen geschreven reacties op. Was het verbitterde afzijdigheid? Men zal het nooit weten.

Maar zijn faam als christelijk denker was voorgoed gevestigd, ook in Duitsland.

Herhaaldelijk werd hij over de grens als spreker uitgenodigd : in 1931 op de Vlaamse week te Aken uitgenodigd : in 1931 op de Vlaamse week te Aken (Im Geiste Rubens), in 1932 op het Academisch congres te Stuttgart (Die wende in der Kunst), in 1934 op de Verschaevefeesten te Aken (over de Vlaamse mystiek). In 1935 vroeg de bijbelkenner E.P. Vosté aan Verschaeve een Leven van Jezus te schrijven, als repliek op La Vie de Jésus van François Mauriac. Aan dit boek - zijn laatste groot werk - besteedde hij drie jaar. In 1936 werd aan Verschaeve, Renë de Clercq en Stijn Streuvels, de Rembrandtprijs aan de Universiteit van Hamburg toegekend. Het jaar daarop werd aan Verschaeve het eredoctoraat in de wijsbegeerte en letteren aan de universiteit van Leuven verleend.

In 1939 ging Verschaeve op rust, maar bleef te Alveringem wonen.

Op 10 mei 1940 brak echter W.O. II uit welke voor Verschaeve uiteindelijk zou leiden tot een tragische verbanning.

Trouw aan zijn levensdroom 'zelfbestuur voor Vlaanderen' aanvaardde Verschaeve het voorzitterschap van de Vlaamse cultuurraad gedurende de bezetting, denkend een betere verstandhouding met de bezetter te kunnen bewerkstellen. Na de oorlogsverklaring tegen de Sovjet-Unie trokken verschillende Vlaamse jongens ten strijde tegen het goddeloze communisme uit heilige overtuiging.

Toen de hogere clerus weigerde iemand aan te stellen als aalmoezenier, aanvaardde Verschaeve het geestelijk leiderschap voor diegenen die hun leven opofferden voor hun christelijke overtuiging en hun dierbaar Vlaanderen. Hij bleef de Oostfrontstrijders trouw tot in de nederlaag. De tragedie van Verschaeve was in zijn eindfase.

Wanneer men in zijn gedenkschriften terugblikt op het begin van de bezetting, noteert hij 'Vlaanders heil is mijn enige drijfveer en doel'. 'Ik maakte dus het vaste voornemen Vlaanders profeet te zijn in de komende stormtijden. 't Lot der profeten stond me bekend voor: niet geloofd te worden door de naast betrokkenen en aan 't eind gesteenigd. De profeet is de mond waarnaar de eigen oren niet luisteren, hij is 't hart waar de eigen bloedaderen niet aan beantwoorden. Ook dat mag niet beletten profeet te zijn: de waarheidsverkondiger is steeds ongewenst en gehaat'.

Eind augustus 1944, kort nadat de universiteiten van Jena en Keulen hem een eredoctoraat hadden geschonken, week hij naar Duitsland uit.

Na een lange zwerftocht komt hij te Solbad Hall in Oostenrijk aan.

Hij overleed er op 8 november 1949 tengevolge van een hartkwaal. Intussen had de Belgische Krijgsraad hem op 11 december 1946 bij verstek ter dood veroordeeld.

C. Verschaeve, die zo graag in zijn geliefde Vlaanderen zijn laatste rustplaats had gevonden, rustte nu 'in het verre land, zo vreselijk alleen'.

Verscheidene aanvragen werden gedaan om langs officiële zijde het stoffelijk overschot van Verschaeve terug te brengen naar zijn geliefd Vlaanderen, maar zonder gevolg.

Op 10 mei 1973 werd door 'Operatie Brevier' van de Vlaamse Militanten Orde, zijn lijk ontgraven te Solbad Hall en in het geheim overgebracht om in Vlaamse grond te worden begraven. Het werd bijgezet in juni 1973 in een grafkelder te Alveringem, waar hij eens 33 jaar als onderpastoor heeft doorgebracht. Hij ruste er thans in vrede.

Keer terug